Feeds:
Berichten
Reacties

christologie van Berkhof

despil

De afgelopen herfstvakantie verbleven Marlies en ik een weekend in retraitecentrum ‘de Spil’ in Giessenburg: www.retraitecentrum.nl . Voor iedereen die zich eens een weekend wil terugtrekken, wil bezinnen, God wil zoeken een absolute aanrader. Voor ons was het een weekend om met z’n tweeën - voor het eerst sinds de geboorte van onze jongste twee kinderen, Ilse en Julia, nu anderhalf jaar, en de hectiek die het bestaan als beginnend predikantsgezin met zich meebrengt – op adem te komen, tijd voor goed gesprek, een goed boek, gebed, viering, een stevige wandeling, nadenken over waar we mee bezig zijn en wat we willen met elkaar, gezin, werk, geloof etc. Het was een heerlijke plek om daarmee bezig te zijn. Met een groep mooie mensen met wie we samen aten, praten, vierden en baden.

Van te voren had ik me voorgenomen dat ik mijn tijd niet wilde verdoen dit weekend, maar ook bewust met een bepaald geloofsonderwerp aan de slag wilde, biddend en lezend. Om een lang verhaal kort te maken, waar ik mee bezig wilde was de vraag: hoe kijk ik tegen Jezus aan? Wie is Jezus? Dat klinkt misschien als een theoretische vraag, maar voor mij is het meer dan dat. Het is ook mijn persoonlijke vraag. Al heel lang constateer ik bij mezelf dat ik  de klassieke leer over Jezus zoals die verwoord is in de klassieke theologie (waarlijk mens, waarlijk God) nooit begrepen heb. En als ik goed bij mezelf naga, dan heb ik dat eigenlijk nooit gesnapt, en kan ik er weinig mee. Ik snap de intentie wel van dit dogma, maar ik zou het niet zo uitdrukken. Heel lang worstel ik al met de vragen die dit onderwerp bij me oproepen: christologie, triniteit, preëxistentie etc.

berkhofAl heel lang wilde ik daarom lezen wat de Nederlandse theoloog Berkhof hierover geschreven heeft. Ooit had ik al eens wat lopen grasduinen in zijn bekendste boek ‘Christelijk Geloof’ (CG), en ik wist dat hij anders tegen Jezus aankeek dan de klassieke theologie, bovendien behoorlijk kritisch was op de klassieke theologie. Daarom had ik me voorgenomen om de hoofdstukken die Berkhof over de christologie schrijft dit weekend in de Spil te lezen, en daar zoals geschreven ook biddend mee bezig te zijn. Het gaat om § 32 – § 37 van zijn CG. Terugkijkend moet ik zeggen dat ik dit al veel eerder had moeten doen, ik vond het prachtig en Berkhof heeft me een beter inzicht gegeven van hoe ik zelf naar Jezus kijk. De komende weken hoop ik de tijd te vinden om hierover te bloggen. Liggen mn blogs over Brueggemann wel even stil, maar daarover zal ik vast nog wel eens meer bloggen.

Als voorproefje alvast een citaat over de preëxistentie van Christus:

‘Deze (preëxistentie) heeft (Joh. 1:1-5, Eph 1:10, Col. 1:15-20 e.a.) geen betrekking op een trinitarisch verblijven van de Zoon bij de Vader, maar op een medewerken met God in de schepping door de historische Jezus. Vandaar dat Col. 1:15 van de ‘eerstgeborene van de ganse schepping’ kan spreken. In deze mythische vorm (gangbaar in het toenmalige rabbijnse en hellenistische Jodendom) werd uitgedrukt wat wij in het westerse denken een ‘ideële preëxistentie’ zouden noemen: Gods eerste en dominerende gedachte bij zijn scheppingsplan was Jezus de Zoon’ CG, 290.

alles onder 1 hoofd!

Deze dagen komen er in mijn beperkte kleine hersenpan verschillende dingen bij elkaar, en er ontstaan verbanden en dwarsverbanden. Zo schreef ik vorige week over scheppen en scheiden n.a.v. genesis 1. Ben ik een doopdienst aan het voorbereiden waarin Jesaja 65: 17-25 centraal staat waar het gaat over de Nieuwe Schepping. Als thema voor de dienst heb ik gekozen: “Ik ga vreugde voor u scheppen en volijkheid voor altijd”. Citaat Jes. 65:18a uit de Willibrord vertaling. Ik zocht een mooi plaatje voor op de voorkant van het liturgieboekje dat vond ik op de site van een amerikaanse lutherse predikant die zelf ook illustreert, met name voor kinderen: www.danielerlander.com . De afbeelding die ik gebruikt heb ik ook opgenomen aan het einde van mijn vorige post. Ik kwam op deze site ook een afbeelding tegen gemaakt n.a.v. Efeziers 1:10. Jezus is het prototype van de nieuwe schepping: zo moet het worden. Het plaatje wil ik jullie niet onthouden, ik word er vrolijk van. Bovendien doet het me denken aan de tekenstijl van mijn vader. 63eph1-9

Koppige God

supIk ben momenteel bezig met de voorbereiding van een dienst waarin twee kinderen gedoopt zullen worden. Ik heb nog niet legio kinderen gedoopt, maar als ik me aan het voorbereiden ben, schieten me vaak de woorden van Jurgen Moltmann te binnen: ‘In ieder kind wacht God op de menselijke mens’. (gelezen in: Kleine leer van de Hoop). N.a.v. deze uitspraak enkele gedachten.

Ik heb het geregeld horen zeggen: “wij willen geen kinderen want in wat voor wereld groeien ze dan wel niet op? Al die ellende…..” Ik word altijd een beetje verdrietig van dat soort redeneringen. Het onthult dat mensen, op z’n zachts gezegd, niet heel hoopvol naar het leven kijken. En draagt niet elk kind, elk nieuw mens, ook niet de keuze voor het goede in zich mee?

Wanneer mensen kinderen willen, drukt dat ook iets uit van het vertrouwen, de hoop, waarmee ze in het leven staan: Inderdaad er is veel mis in deze wereld, maar ondanks dat heeft het leven zo ontzettend veel te bieden! En voor mij als volgeling van Jezus vindt dat vertrouwen, die hoop, zijn basis in het geloof dat deze wereld Gods goede schepping is, en dat God zijn schepping –hoe dan ook – draagt. Kinderen zou je dus ook de belichaming van ons levensvertrouwen of onze levenshoop kunnen noemen.

Maar Moltmann gaat nog een stapje verder. Kinderen zeggen niet alleen iets over onze hoop, maar ze zeggen ook iets over de hoop van God. Ze zijn de belichaming van Gods hoop op ons. We nemen dat waar als we tot de ontdekking komen dat we gewild zijn, gewenst en door God worden verwacht: ‘Mensen zijn Gods grote liefde. Mensen zijn zijn droom voor deze aardse wereld. Mensen zijn zijn evenbeeld voor zijn geliefde aarde. Alle dingen die God schiep, waren af, alleen de mens heeft Hij op hoop aangelegd.’

Deze hoop van God op het slagen van zijn mensen kan deuken oplopen, maar God is nooit hopeloos. Zijn hoop kan door mensen nooit kapot gemaakt worden. Alleen God zelf kan het ‘berouwen’ dat Hij ons dubbelzinnige, tegenstrijdige mensen gemaakt heeft. Daarover lezen we iets in het verhaal van de zondvloed. MAAR: Het berouw van God en zijn diep gekwetst zijn worden echter in dat verhaal door Gods trouw aan zijn schepping overwonnen, want Hij gaat verder met Noach en zijn familie.

Met elk kind dat geboren wordt, wordt er als het ware een nieuwe Noach geboren. Want met elk nieuw geboren kind breekt er een nieuwe mogelijkheid aan, een nieuwe kans. Gods hoop op mensen die gaan leven zoals ze bedoelt zijn, blijft bestaan, ondanks alle onmenselijkheden die wij elkaar, onze medemensen en medeschepselen en de aarde aandoen. God is koppig en volhardend: in ieder kind wacht God op de menselijke mens. ‘God zwijgt niet, God is niet ‘dood’- God wacht op de menselijke mens’. En daarom schrijft Moltmann: ‘Wij leven in deze verwachting van God, en kinderen worden geboren in de open tijd van deze goddelijke hoop.’

Een bijzonder moment vind ik altijd als ik nadat ik een kindje gedoopt heb, ook een zegen mag uitspreken. Ik heb daarvoor sinds een jaar een vaste zegen (een tekst die ik las in Resident Aliens van Stanley Hauerwas): 

Kleine zuster/ broeder, door deze doop verwelkomen we je op een reis die je hele leven zal duren. Dit is niet het einde. Het is het begin van Gods experiment met jouw leven. Wat God van je zal maken, weten we niet. Waar God je zal brengen, je zal verassen, kunnen we niet zeggen. Maar dit weten we, en dit zeggen we dan ook: God zal met je zijn.

Mooi he?!

54peaceablekingdom

SeperationEr is al het nodige over geblogd, zie o.a. www.relirel.wordpress.com en de reacties waaronder ook die van mijzelf, en geschreven, maar ik wil toch ook een duit in het zakje doen. De discussie die de inaugurelre rede van prof. dr . Ellen van der Wolde over het vertalen van het woordje bara in Gen. 1 heeft doen losbarsten heeft me verbaasd. Het woord zou scheiden betekenen en niet scheppen. Ik snap niet goed wat er vernieuwend aan haar ontdekking is, maar nog minder snap ik van de ontzettende ophef die er over deze ontdekking gemaakt wordt. Want zo schrijft o.a. Trouw (triomfantelijk) het haalt het geloof in God de Schepper onderuit. Maar het is een mooie gelegenheid om weer eens in de materie te duiken, en ook deze keer aan de hand van Brueggemann. En het was weer smullen geblazen. Prachtig.

 Wanneer je iets wil zeggen over het scheppingsgeloof in Israël, dan zul je verder moeten kijken dan alleen Gen.1. Daarbij zul je b.v. ook teksten uit Jesaja en de psalmen (b,.v. ps. 33 en 104) moeten betrekken. En ook verder moeten kijken dan alleen de term bara want Israël getuigenis gebruikt meerdere woorden om de scheppende activiteit van YHWH mee uit te drukken. Tegelijk moet wel gezegd worden dat bara  het meest kenmerkende woord is voor Israël’s spreken over het scheppen van God.

Zoals gezegd Israël gebruikt een keur aan woorden en beelden om de scheppende activiteit van YHWH mee uit te drukken. Veel van dat materiaal ontleende ze aan haar Umwelt, waar genoeg ‘scheppingsmodellen’ voorhanden waren. Israël gebruikt termen die van vele gebieden van het dagelijks leven komen om het scheppend handelen van YHWH mee aan te geven. Kenmerkend voor Israels getuigenis is dat ze niet: ‘settled on no single articulation of creation as a proper one, but daringly made use of rich and diverse vocabulary in order to make its normative utterance about God’.

 Maar belangrijker in de discussie zijn misschien de volgende citaten van B over schepping, en creatio ex nihilo:

 ‘Creation, the network of living organisms that provides a viable context and home for the human community, is an outcome of YHWH’s generous, sovereign freedom. No reason is given for YHWH’s unutterable act of forming an earth that is viable for life. With a consensus of Old testament scholarship, it is clear in Israel’s horizon that creation is not ex nihilo. That is, YHWH did not create a world where there was nothing. Rather YHWH so ordered the ‘pre-existent material substratum’, which was wild, disordered, destructive, and chaotic, to make possible an ordered, reliable place of peaceableness and viability. This divine act of ordering is an act of sovereignty on the largest scale, whereby YHWH’s good intention for life imposes a will on destructive forces and recalcitrant energies. The outcome, according to Israel’s testimony, is a place of fruitfulness, abundance, productivity, and extravagance, all terms summed up in the word blessing.’

 ‘And if not ex nihilo, then we are bound to conclude that Israel understood Yahweh’s activity of creation to be one of forming, shaping, governing, ordering, and sustaining a created world out of the “stuff of chaos,” which was already there. Unlike some speculative traditions, Israel evidences no interest or curiosity about the origin of the “stuff of creation.”It is simply there as a given, which Yahweh the addresses in lordly fashion.’

 ‘This understanding of creation may strike some as an inadequate claim that seems to concede something crucial to Yahweh’s almighty power. It would appear, however, that such a mater troubled neither Yahweh nor Israel. The more important recognition, it seems to me, is that what may appear to be a theological concession to the stubbornness of “stuff” is in fact a characteristic pastoral strength of Israel’s faith. That is, Israel’s faith is markedly in the middle of things responding to what is given concretely “on the ground.” And what is given – daily and everywhere, in ancient times and in our own – is vexation, trouble, and destructiveness that appear to be untamed and on the loose. Evil is simply there, sometimes as a result of human sin, sometimes as a given, and occasionally blamed on God.’

 ‘The pastoral realism of Israel’s testimony is enormous. Israel knows how life is in fact lived. And it dares to assert, in its testimony of a world ordered by Yahweh, that the threat of life, so palpable among us, is a threat that can and will be countered by the Creator, who continues the work of governance, order, and sustenance. Creation faith is the summons and invitation to trust the Subject of these verbs, even in the face of day-to day, palpable incursions of chaos. The One embedded in these doxological statements can be trusted in the midst of any chaos, even that of exile and finally that of death.’

Waar wij als we het over schepping hebben, denken dat het vooral over de oorsprong gaat, is de scheppingstheologie van Israël dus volgens B niet zo geïnteresseerd in de oorsprong van de “stuff of creation”. Israël blijkt vooral geïnteresseerd te zijn in dat God voortdurend bezig is scheppend te handelen.

Dan kan die vertaling van bara met ’scheiden’ inderdaad verduidelijken en bovendien een mooie vertaling opleveren zoals Peter (www.relirel.wordpress.com) ook al schreef: ‘Er is een andere intrigerende passage in de bijbel, van de profeet Jesaja, waar gesproken wordt over God die het licht en het duister, de vrede en het kwaad heeft gemaakt. Je zou daaruit kunnen opmaken dat God zowel het goede als het kwade heeft gemaakt, maar volgens de opvatting van van Wolde hoeft dat dus niet. God is dan niet de auteur van het duister en van het kwaad, maar degene die het licht, het goede, ervan scheidt.’

Dan wordt het belijden in het geloof in de schepping dus niet het al dan niet kunnen beamen van creationisme, evolutie, ID of welke theorie dan ook, maar wordt het vooral een belijdenis over het nu. Geloof je dat God van elke situatie van chaos iets nieuws kan maken, leefbaar kan maken. Dan wordt geloven in de schepping: geloven dat God bezig is deze wereld die dus schepping is steeds leefbaarder te maken. (Leefbaar klinkt dan eigenlijk weer veel te plat (heeft associaties met bepaalde politieke partijen) maar voor nu toch even hier voor gekozen).  Geloof je dat die nieuwe schepping al volledig doorgebroken is in het leven, sterven en opstaan van Jezus van Nazareth. En dat die nieuwe schepping er ooit helemaal gaat komen en dat wij worden opgeroepen mee te werken in het scheppende/scheidende werk van God! Spannend, ik doe mee!

twitterrrrrrrrrrrrrrrrrrrr

twitter-funnyInderdaad Twitter is voor het overgrote gedeelte geouwehoer. Maar soms vind er zomaar een aardige uitwisseling plaats van gedachten of ideen. Soms wordt je ergens op attent gemaakt, of denken mensen mee met je waar je werkelijk wat aan hebt. Net zoals veel gesprekken irl ook maar wat stom opppervlakkig geouwehoer is, is dat ook op twitter zo. En net zoals het in irl zo is, kan er dan zomaar ineens wat gebeuren dat er iets waardevols gebeurd. Of dat je iets leest wat wel boven de oppervlakte uitsteekt. Gisteren twitterde Rob Bell b.v. een serrie alternatieve zaligsprekingen. Ach en daar word ik dan wel weer blij van:

Blessed are those who on a regular basis have a dark day in which despair seems to be a step behind them wherever they go.

Blessed are those who don’t have it all together.

Blessed are those who have run out of strength, ideas, will power, resolve, or energy.

Blessed are those who ache because of how severely out of whack the world is.

Blessed are those stumble, trip, and fall in the same place again and again.

Blessed are you, for God is with you, God is on your side, God meets you in that place

logos2007Elke theologie is biografisch en contextueel. Theologie is biografie. Mijn fascinatie voor de theologie van Brueggemann heeft ook een geschiedenis. Op m’n 16e tot een levend geloof gekomen in een min of meer evangelische traditie (en daar schaam ik me niet voor, hoewel ik nu in sommige opzichten andere wegen ga) had ik de overtuiging dat de bijbel een weerslag van de geschiedenis gaf. Toen ik op mijn 20ste theologie ben gaan studeren werd er aan die overtuiging stevig gemorreld. De kennismaking met de zgn. historisch kritische methode in exegese was voor mij niet bevrijdend o.i.d., ik wist niet wat ik er mee aan moest. Mijn vooronderstellingen over de bijbel werden behoorlijk onderuit getrokken. En daarmee ook mijn geloof. Achteraf kan ik zeggen: het is goed geweest. Maar tijdens mijn studie vond ik dat helemaal niet goed. Ik snapte niets meer van de bijbel en geloof. Hoe moest ik dan tegen de bijbel aankijken als het dan geen direct verslag van wat gebeurd is is?

Het lezen van Brueggemann heeft me een nieuwe kijk gegeven op de bijbel, waarin het aan de ene kant niet gaat om de geschiedenis (wat aantoonbaar gebeurd is), maar om geloofde geschiedenis, en aan de andere kant de claims van de tekst volstrekt serieus worden genomen. Het gaat er niet zozeer om wat gebeurd is (of dat zou in ieder geval niet de meest belangrijkste vraag zijn voor het ontwerpen van een Theologie van het Oude Testament. Voor de bestudering van de geschiedenis van de godsdienst van Israël is dat de belangrijkste vraag, maar dat is wat anders dan het bedrijven van theologie). Waar het volgens B om gaat is: wat wordt er gezegd. Hoe spreekt Israël in de tekst van het OT over God. De vraag is niet ‘wat is er gebeurd?’, maar ‘wat wordt er gezegd?’.

Dus om een voorbeeld te noemen: het verhaal van het manna in de woestijn. Of dat verwijst naar een concrete gebeurtenis in de geschiedenis (het zou goed kunnen) is niet waar het om draait. Waar het veel meer om draait is dat de tekst getuigt van het bestaan (ja bestaan) van een God die geeft in overvloed. En dat onze werkelijkheid door het gulle geven van deze God bepaald wordt.  Waar het in heel het OT om gaat is het doorgeven van een wereld van betekenis, een kijk op de werkelijkheid, waarin de God van Israël een sleutelfiguur is.

Brueggemann benadrukt dat de bijbel een menselijk document is, het resultaat van gedurfd beeldend menselijk voorstellingsvermogen ( hij gebruikt het woord imagination). Maar tegelijk is het ook openbaring van God. In zijn Theology of the Old Testament gaat hij hier dieper op in. In mijn scriptie heb ik een citaat van B als motto gebruikt wat dit mooi verwoord: ‘ The testimony that Israel bears to the character of God is taken by the ecclesial community of the text as a reliable disclosure about the true character of God (….)…when utterance in the bible is taken as truthful, human testimony is taken as revelation that discloses the true reality of God’(121).

Het is nogal ‘in’ om te roepen: ‘al het spreken over boven komt van beneden’. Waarbij men dan doet alsof daarmee alles gezegd is. Alsof daarmee gezegd is: al het spreken over God die zich laat kennen is achterhaald. De idee van God zelf is achterhaald. Menselijk verzinsel. Niet zelden gebeurd dat op een triomfantelijk toontje. Mij komt zo’n uitspraak nogal arrogant over. Om niet te zeggen dat ik me behoorlijk erger aan dergelijke uitspraken. Ik vind ze veel te gemakkelijk, want het is me nogal een open deur! Natuurlijk komt al het spreken van boven van beneden. De bijbel is volledig door mensen geschreven, het zijn mensen die aan het woord zijn, die soms zelfs uit de bocht kunnen vliegen. Zelfs als er in de bijbel staat dat God sprak, zijn het nog mensen die dat schrijven en niet God zelf. Maar achter die uitspraak (al het spreken over boven komt van beneden) komt voor mij een komma, dat heb ik vooral van Brueggemann geleerd. Na die komma zeg ik dan: maar in dat spreken van beneden over Boven komt boven mee!

En dat menselijk getuigenis wat wordt tot openbaring, onthult een Heilige God die niet te temmen is maar volledig beschikbaar is voor dialogische transactie. En vanwege die dialogische transactie wordt ook een manier van (volwassen) menszijn onthult die aansluit bij de ontembare trouw van de God van deze tekst. De dialogische God van de tekst en zij dialogische partner(s) zijn nauw met elkaar verbonden. B verwijst dan weer naar Moltmann die daarover wijze dingen geschreven heeft:

‘in de sfeer van de apathische God ontplooit de mens zicht tot een homo apatheticus. Mar in de situatie van het pathos van God wordt de mens tot een homo sympatheticus. Het goddelijke pathos weerspiegelt zich in de deelneming van de mens, in zijn hoop en gebeden. Sympathie is de openheid van de ene persoon voor de presentie van de andere. Ze is dialogisch van structuur. In het pathos van God wordt de mens vervuld met de Geest van God. Hij wordt tot de vriend van God, hij leeft met God me en voelt sympathie voor God. Hij komt God niet in een unio mystica, maar in een unio sympathetica. Hij is vertoornd, als God toornt. Hij lijdt mee, als God lijdt. Hij bemint, wat God bemint. Hij hoopt wat God hoopt’

Brueggemann continued

speech‘It is the Hebraic intuition that God is capable of all speech-acts except that of monologue which has generated our arts of reply, of questioning and counter creation’. Veel klassieke theologie heeft God gereduceerd tot een monoloog, en veel vage spiritualiteit spreekt helemaal niet meer over het spreken van God. Israël’s taal van het verbond is echter nadrukkelijk een beurtzang tussen de God die spreekt en de partner die antwoord, of omgekeerd, de partner die spreekt en de God die antwoordt. Op welke manier spreekt Israël dan in deze dialoog tot God?

Israël’s dialogische benadering van YHWH is door lofprijzing en klacht. In lofprijzing en dankzegging geeft deze partner zijn leven over aan God in dankbaarheid. Lofprijzing is het zonder beperkingen overgeven van jezelf en de blije overgave van jezelf aan degene die aangesproken wordt in de lofprijzing. Lofprijzing is o.a. een ‘performative act’ waarin de regering van God wordt opgevoerd en wordt omarmt. Israël’s dialogische taal beweegt van de brede algemene lofprijzing naar de meer specifieke dankzegging. Wanneer er sprake van dankzeggen is gebeurd dat vaak (in de psalmen) met een verwijzing naar de nood waarin de spreker zat, de herinnering aan het gebed dat spreker gedaan heeft en de veranderende interventie van YHWH las antwoord op het gebed.

Het ‘performative’ (ik kan geen goede vertaling voor dit woord bedenken) effect van lofprijzing en dankzegging is een wereld af te beelden die in concrete nood is, maar waarin YHWH het bepalende karakter is. In lofprijzing antwoord Israël op YHWH’s gulheid. In dankzegging antwoord Israël ook, maar brengt ook haar eigen initiatief ter herinnering (de petitie, het gebed wat vooraf ging aan Gods interventie).

De ander pool van Israël’s dialogische taal is die van klacht, protest en petitie. De klacht is een schreeuw om hulp in een situatie van crisis. De petitie is de erkenning van die nood en het zich wenden tot YHWH, die gezien wordt als een handelende persoon (agent) die tot redden en verandering in staat is. De klacht kan ook een schreeuw van verraad of verlating zijn, en daarom van teleurstelling in God. Zulke taal durft de trouw van God ter discussie te stellen. Het is een beschuldiging aan het adres van God.

Dus: ‘the repertoire of praise-thanks and lament-complaint bespeaks Israel as a fully engaged dialogic partner who plays a role vis-à-vis YHWH’

Nu dan YHWH’s spreken. Dat spreken is min of meer samenvallend met de uitspraken van Israël. YHWH’s meest kenmerkende taal in het OT is die van de belofte. De belofte doortrekt het hele OT. Meest opvallend is dat de grootste hoeveelheid beloften in het OT voorkomen bij de profeten in de ballingschap. Het is in de diepte van de verlatenheid dat YHWH een nieuw woord spreekt die nieuwe mogelijkheden voor Israël opent.

Naast de belofte is er het veroordelend spreken van God, waarin God inziet het mislukken van de relatie inziet en de partner oproept om rekenschap af te leggen van het misgaan. De taal die YHWH gebruikt is vooral gericht op het weergeven van de mislukte relatie, maar heeft als doel de relatie te vernieuwen, nieuwe mogelijkheden te openen.

‘it is no wonder that the God of the OT is cast as a person, for it is only the personal and the interpersonal that make possible the kinds of interaction that are generative of new transformative possibility. Every attempt to move away from the embarrassing particularity of the interpersonal entails a costly loss of that transformative dimension of faith’

pathos van God

moltmann2Brueggemann spreekt over het pathos van God. De mogelijkheid van het lijden/ meelijden (‘pathos’) van God (pathos is breder dan lijden of meelijden. B gebruikt het woord vulnerability) Doordat YHWH zich met Israël en de wereld wil verbinden, impliceert dat bereidheid tot kwetsbaarheid en dat Hij bereid is zich te laten beinvloeden. ‘The traditions of Hosea and Jeremiah makes abundantly clear that the God of Israel is unlike the God of any scholastic theology …..The peculiar character of this God is as available agent who is not only able to act but is available to be acted upon’.

Het is vooral Jürgen Moltmann geweest die de kwetsbaarheid van God in de christelijke theologie heeft uitgewerkt. Zelf heb ik deze week de nederlandse vertaling van Moltmanns der gekreuzigte Gott op de kop kunnen tikken. Ik had de Duitse vertaling jaren geleden al eens in Keulen gekocht, maar mn Duits is niet goed genoeg om dit boek te lezen. Emergent Village hield recentelijk een conferentie met Moltmann. Via twitter en via blogs heb ik daarvan iets mee kunnen maken en heeft me wel weer heel nieuwsgierig gemaakt naar Moltmanns theologie (ik schreef al eerder wat over Moltmann op mn weblog oversolidariteitschristologie). Dus binnenkort hoop ik aan dit vertaalde boek van Moltmann te beginnen. Moltmann schrijft over het pathos van God:

‘het heeft niets te doen met de irrationele, menselijke opwellingen zoals begeerte, toorn, angst, afgunst of medelijden, maar geeft aan dat hij wordt geraakt door gebeurtenissen en menselijk doen en lijden in de geschiedenis. Hij wordt daardoor geraakt, omdat hij belang heeft bij zijn schepping, zijn volk en zijn recht. Het pathos van God is intentioneel en transitief. God is in zichzelf vrij en tegelijk toch geïnteresseerd in zijn verbondsrelatie en hem raakt de menselijke geschiedenis’

uit: Moltmann, De gekruisigde God, p. 257, 259

Maar luister ook vooral naar hoe Moltmann dit pathos van God doortrekt naar het kruis:

‘Men moet, om te bergijpen, wat er tussen Jezus en zijn God en Vader aan het kruis is geschied, trinitarisch spreken. De Zoon ondergaat het sterven, de Vader ondergaat de dood van de Zoon. De smart van de Vader is daarbij van even groot belang als de dood van de Zoon. Dat de Zoon geen Vader meer heeft, korrespondeert met het geen Zoon meer hebben van de Vader, en als God zich heeft gemaakt tot de Vader van Jezus Christus, dan ondergaat hij in de dood van zijn Zoon ook de dood van zijn vaderschap’ (Moltmann, 229)

bibleHet woord God is een algemeen woord. Wat bedoelen we ermee als we het gebruiken? In veel populaire spiritualiteit wordt God voorgesteld als een vage kracht of impuls voor goedheid. Aan de andere kant wordt in de klassieke christelijke theologie vaak gesproken over God in duidelijke categorieën, die voor het meeste niet bijbels zijn, maar ontleend aan de hellenistische filosofie (alwetend almachtig enz.), een wezen compleet gescheiden van de wereld en die zich ook niet door de wereld laat raken.

 De God waarvan het OT getuigt valt niet voor de verleiding van vaagheid, noch voor die van de bepaaldheid. God in het OT wordt beschreven als een handelende persoon (‘personal agent’)  met alle karaktertrekken en bijzonderheden van een persoon met een scala aan manieren van doen en handelingen. Er is geen plaats voor vaagheid, maar ook niet voor de duidelijkheid van de klassieke theologie. Kenmerkend voor een persoon zijn juist de dimensies van vrijheid en mogelijkheid. Veel theologie wordt in verlegenheid gebracht door het al te menselijk voorstellen van God in het OT, met als gevolg dat deze antropomorfismen weg verklaard worden. Brueggemann vindt dit echter geen recht doen aan de bijbelse traditie. Bovendien moet de schat aan religieuze, theologische en pastorale bronnen die deze manier van spreken over God biedt niet onderschat worden. De persoonlijke dimensie van God in het OT is fundamenteel voor geloof en kan niet weggeredeneerd worden of in andere categorieën omgezet worden.

 YHWH komt niet uit de lucht vallen maar ‘ontstaat’ in de rijke  theologische traditie van het Oude Nabije Oosten. Brueggemann schetst een gemeenschappelijk paradigma van de religie van het Oude Nabije Oosten. De nadruk in deze gemeenschappelijke traditie ligt op de soevereiniteit van God. Israëls doxologische traditie bevestigt volledig de unieke soevereiniteit van YHWH over Israël, maar ook over de hele werkelijkheid. Maar het OT is een mutatie van de gemeenschappelijke theologie. Hoe dat zo gekomen is kunnen we niet zeggen. We kunnen het krachtige menselijke verbeelding noemen of openbaring. De tekst zelf beweert dat de kenmerkendheid van YHWH in de traditie van Israël het resultaat is van de royale zelf-onthulling van YHWH zelf. Brueggemann kiest voor het laatste (en ik ook). (overigens lijkt hier alsof menselijke verbeelding en zelf-onthulling hier tegenover elkaar staan. Kenmerkend voor B’s visie op openbaring is juist het samenvallen van beide, daarover later meer)

 Verschillen met de gemeenschappelijke theologie zijn: ten eerste de claim van YHWH is uniform en niet bereid tot compromissen, dit gaat richting monotheïsme. Ten tweede YHWH geeft de verbondsthora met een bepaalde visie op staat, economie etc. De houding van YHWH tot zijn speciale volk is een van liefde en genade (Ex. 34:6 vv) verbondsloyaliteit. Mensen worden geautoriseerd als representanten van YHWH.

 Het kenmerkende voor de God van het OT is YHWH’s besluit om altijd een God in relatie te zijn. De macht en de soevereiniteit van deze God worden in de tekst bijna nooit in twijfel getrokken. Des te meer het karakter van deze God in relatie. Kenmerkend voor dit God in relatie zijn is het woord verbond. Over het verbond kan heel verschillend gesproken worden in het OT: ‘because the covenant is articulated in so many variations that we are able to conclude that covenantal relatedness makes it impossible for this God to be settled, static or fixed. This God is always emerging in new ways in response to the requirements of the relationship at hand.’ YHWH is een deelnemer in een gesprek dat nooit afgelopen is. Het karakter van YHWH is grotendeels een afspiegeling van de gemeenschappelijke theologie, maar het bijzondere van Israels denken over God is YHWH’s bereidheid tot het aangaan van relaties.

 Brueggemann benadrukt dat in de Joodse traditie er nooit een definitieve interpretatie van een tekst gegeven wordt (dit i.t.t. de christelijke traditie). In de Joodse traditie is elke lezing voorlopig, want er is altijd weer een andere tekst etc. die er een ander licht op kan laten schijnen. Hij bespreekt kort het werk van drie Joodse denkers: Buber, Rozenzweig en Levinas. Ik laat dat verder liggen op een opmerking na: alledrie benadrukken ze het dialogische van de relatie. Het initiatief ligt bij YHWH, maar geregeld ook bij Israël.

gebed om ontferming

dream1pw4Nabije God,

 

Zo vaak als ik slaap

droom ik, mooie dromen:

dat de wereld een plek is van overvloed, goed en rechtvaardig.

Ik droom van de wereld als een paradijselijke tuin,

welzijn voor ieder mens voor iedereen genoeg te eten en te drinken.

Ik droom van het wegdoen van wapens en vergeving tussen mensen,

van zorg voor allen die dat nodig hebben.

Ik droom van een tijd waarin elke vorm van dood niet meer zal bestaan

 

Zo vaak als ik slaap

heb ik een nachtmerrie:

dat zonden onvergeefbaar zouden zijn.

Een nachtmerrie over landmijnen die nog steeds exploderen en verwonde kinderen

Een nachtmerrie waarin de armen liefdeloos aan de kant worden gezet.

Ik droom over daklozen die niet opgemerkt worden,

over doden waarover niet gerouwd wordt.

Ik heb een nachtmerrie over ruzie, over woede en over oorlogen groot en klein

 

Laat me elke keer als ik wakker wordt,

ontdekken dat U nog steeds God bent

met kalm gezag, wakend over nacht en dag.

 

Aan U leg ik voor:

mijn mooiste dromen,

mijn donkerste nachtmerries.

Wil met uw helende genade de dreiging te niet doen.

Laat uw goedheid mijn nachtmerries minder giftig maken

en mijn dromen meer werkelijkheid

 

Ik dank U dat U mij keer op keer bezoekt met uw nieuwheid

die te niet doet wat oud en doods is in mij.

Wees aanwezig deze dag,

droom uw droom van vrede en gerechtigheid,

goedheid en heelheid in mijn hart.

Oudere Berichten »