
Puntsgewijs hoop ik de komende tijd iets te bloggen over wat Berkhof heeft geschreven in zijn boek ‘Christelijk Geloof’ over de christologie.
a. In het NT worden vele titels voor Jezus gebruikt, maar de titel Zoon van God is vanaf het begin overheersend. Maar wat bedoelen we als we deze titel voor Jezus gebruiken? Opvallend is dat zowel in de Hellenistische wereld als in de Joodse wereld dit geen exclusieve titel was, zoals dat in het Chr-dom wel het geval is. Als we Jezus Zoon van God noemen dan is dat niet alleen een verticaal gebeuren. In het OT wordt vooral Israël de zoon of zonen van God genoemd (ook de koning). Nergens wordt daarbij aan een fysieke oorsprongsverhouding gedacht, het gaat om een verbondsverhouding. Zo is het ook met het zoonschap van Jezus: ‘Hij is bij uitstek de gehoorzame en daarom geliefde verbondspartner. Zijn relatie met God beantwoordt aan de representatieve bedoeling met de koning en met andere middelaarsgestalten in Israël, zoals blijkt uit het verhaal van zijn doop. Door deze representatie wordt Hij als Zoon ‘de eerstgeborenen onder vele broeders’, degene die in de eeuwenlange stoet van Gods kinderen voorop gaat en de spits afbijt’ (CG 280)
b. Het zoonschap van Jezus is binnen bovenstaande samenhang wel van een andere orde. Israël kon het zoonschap niet waarmaken. Een nieuwe inzet van God was nodig. En die nieuwe inzet is Jezus. Hij maakt het zoonschap volledig waar. Hij is de Zoon bij uitstek zoals God het altijd al bedoelt heeft: ‘En hij is dat niet als vrucht of toppunt van menselijke religieuze en morele zuiverheid, maar krachtens een nieuwe scheppingsdaad van God’ (CG 281). Daarom kan er toch van een oorsprongsverhouding gesproken worden. Het initiatief gaat van God uit.
c. Israël, heeft een representatieve rol t.o.v. de volken, de koning t.o.v. het volk. Beiden hebben hun zoonschap niet waar kunnen maken. Maar Jezus faalt niet in zijn roeping, omdat zijn roeping op een nieuwe schepping berust. Hij is de ware (eniggeboren) Zoon en hij is radicaal in zijn verbondstrouw. Plaatsvervangend breekt hij voor ons allemaal de weg naar het heil open. ‘Het zoonschap van Jezus is naar zijn oorsprong en dus ook naar zijn representatieve kracht uniek. Maar naar zijn inhoud is het datgene waartoe heel de mensheid via de verbondsweg van Israël geroepen is’(CG 282) Jezus is de ‘eersteling’ en wij mogen volgen, moeten gelijkvormig aan het beeld van de Zoon worden.
d. Wat betekent het dat Jezus Zoonschap berust op een nieuwe scheppingsdaad van God? Hij is meer dan een mens zoals ik. Is hij dan God en geen mens vraagt B zich af? Natuurlijk is Jezus mens, maar zoals B schrijft ‘de voleindigde verbondsmens, de nieuwe mens, de eschatologische mens. Hij is geen dubbelwezen (God en mens): ‘er zijn dus in Jezus geen twee subjecten (!!!), maar zijn menselijke ik is tot in de laatste uithoeken volkomen en uit vrije wil doordrongen van het ik van God; en krachtens deze doordringing wordt hij dé representant van de Vader. Deze vervulde verbondsverhouding betekent een nieuwe vereniging van God en mens, ver boven onze ervaring en voorstelling uit’ (CG 284). Er is geen sprake van dat God de menselijke persoon van Jezus verdringt. Hij doordringt hem helemaal met zijn Geest, dus met zichzelf.
e. De formule van Chalcedon luidt dat Jezus ‘waarlijk God en waarlijk mens is’. Jezus zou dus twee naturen hebben: een goddelijke en een menselijke. Wat B hier in de kleine letters schrijft maakt een heleboel voor mij begrijpelijker. B stelt voor de formule van Chalcedon los te maken uit het statische naturen denken van de Griekse kerkvaders. We moeten, net als in het NT, de beide structuren niet statisch op elkaar, maar historisch na elkaar verstaan. De mens Jezus mag om zijn volledige gehoorzaamheid tot in de dood, delen in de heerschappij van God. ‘In deze geschiedenis overschrijdt Jezus de grenzen van wat wij onder ‘menselijk’ verstaan. Hij legt daarin zijn mens-zijn niet af; maar op de weg van een voortgaande gehoorzaamheid en verheerlijking treden aan hem toenemend nieuwe en bij ons onbekende dimensies van de door God beoogde humaniteit naar voren’. (CG 286)