Maar hoe zit het volgens B nu met de preëxistentie van Jezus? Want tot die gedachte geeft het NT toch aanleiding, getuige teksten als Kol. 1:15-20 en Fil. 2:5 vv? Hoe het ook aan mij geprobeerd is uit te leggen, ik snapte er niets van. Jezus zou al voor het begin van de wereld bij God geweest zijn? Maar Jezus was toch een mens en uhh uhh… Ik denk terugkijkend dat ik al heel vroeg meer een functionele als een substantiële christologie heb gehad.
Maar goed wat schrijft B erover? Kort gezegd komt het er op neer dat B spreekt over ideële preëxistentie. Huh, de wat? Daarmee bedoelt B uit te drukken dat Gods eerste en dominante gedachte bij zijn scheppingsplan Jezus de Zoon was. Zoals Jezus is zo heeft God het van begin af aan bedoeld. De teksten in het NT waar gesproken wordt over de preëxistentie van Jezus hebben volgens B geen betrekking op een ‘trinitarisch verblijven van de Zoon bij de Vader, maar op een medewerken met God in de schepping door de historische Jezus’ (CG, 290) In het joodse en hellenistische denken van de tijd van het ontstaan van het NT drukt het idee van de preëxistente het goddelijke initiatief achter en de metahistorische geldigheid van bepaalde dingen uit. Zo wordt b.v. ook van de Thora en de wijsheid gezegd dat ze van voor de schepping zijn, preëxistent zijn. ‘De teksten in het NT die spreken over de preëxistentie van Jezus bedoelen dit goddelijke initiatief en de goddelijke condescendentie (neerbuiging/ afdaling van God) in het scheppen van Christus te bezingen’. (CG, 288).
Jezus is als nieuwe scheppingsdaad van God, de mens naar zijn beeld, Hij laat Gods uiteindelijke bedoelingen met zijn schepping zien. In Christus krijgt het oorspronkelijk idee van God voor de mensheid eindelijk concreet vorm en inhoud. Zoals Jezus is, zo zal het aan het einde, in Gods goede toekomst, ook zijn. Misschien beter gezegd de beloofde nieuwe toekomst van God ziet er uit als Jezus. Daarom spreekt het NT ook dat wij vernieuwd moeten worden naar het beeld van de Zoon.
Op deze wijze over Jezus spreken, verduidelijkt voor mij een heleboel. B neemt het mens-zijn van Jezus volstrekt serieus. Iets wat naar mijn idee in veel klassieke theologie niet gebeurd, daar is het toch vaak zijn goddelijkheid die de boventoon voert. Bovendien wordt Jezus bij B niet een vreemd soort dubbelwezen. B blijft ook dicht bij de Schrift zelf en dringt de Schrift geen haar vreemde ideeën op. Tegelijk neemt B ook het goddelijk initiatief volstrekt serieus. Jezus is niet maar een voorbeeldig en inspirerend mens, maar Hij is door God gegeven en gezonden, in Hem daalt God ook werkelijk af. (alhoewel B niet over incarnatie spreekt).